Gebouw de Waag

Van de maar liefst 169 waaggebouwen die Nederland telt, staat er een in het hart van Amsterdam, midden op de Nieuwmarkt, omgeven door een uitgebreid stelsel van grachten en straten. Het twee verdiepingen tellende robuuste bouwwerk is in 1488 gebouwd als toegangspoort tot de stad en kreeg de naam Sint Anthoniespoort. Op het torentje tegenover de Geldersekade bevindt zich de oudste gevelsteen van Amsterdam. Te lezen is: "MCCCCLXXXVIII (1488) den XXVIII (28ste) dach in April wart den eersten steen van deze poert gheleit".

De Sint Anthoniespoort gold samen met de Haarlemmerpoort als een van de sterkste hoofdpoorten van Amsterdam. De stad, aanvankelijk vrij open, werd in de loop van de jaren voorzien van wallen en later ook van een muur. De stadswal ontwikkelde zich in de loop van de zestiende eeuw tot meer dan een fysieke barrière: ze werd op den duur een politieke, economische en sociale grens. Eeuwenlang sloot de stad zich iedere avond om half tien hermetisch af van de buitenwereld. Soldaten brachten de sleutels van de poorten naar het stadhuis en legden ze in een speciale sleutelkist. De sleutel van deze kist brachten ze naar een van de burgemeesters. Bij zonsopgang voltrok het hele ritueel zich in omgekeerde volgorde.

(Uit: Geert Mak: Een kleine geschiedenis van Amsterdam, blz. 50/51)

Binnen en buiten de stadsgrenzen

Al vanaf de zestiende eeuw is de Nieuwmarktbuurt betrokken in politieke perikelen. De Lastage, de buurt aan de oostelijke zijde van de Geldersekade, was een rommelig buurtje en uitermate kwetsbaar voor aanvallen van buitenaf omdat zij net buiten de stadsmuur lag. Haar bewoners lagen voortdurend overhoop met het stadsbestuur, dat bepaald had dat de bewoners hun drassige erven niet mochten ophogen en er alleen houten huizen gebouwd mochten worden.

Deze verordeningen hadden tot doel de veiligheid in oorlogstijd te kunnen garanderen, voor de bewoners binnen de stadswal wel te verstaan. Bij dreigend gevaar moest de Lastage zo snel mogelijk afgebroken kunnen worden, zodat de aanvallende troepen geen kans kregen om zich er te verschansen. Tot drie keer toe is de Lastage met de grond gelijk gemaakt, voor het laatst in 1543. Pas in 1585 kwam er een extra verdedigingsschans, de huidige Oude Schans. Aan het eind stond een geschutstoren, de Montelbaanstoren. Vanaf die tijd hoorde de Lastage echt bij de stad Amsterdam.

De Waag als handelscentrum

Bij de stadsuitbreiding van 1612, verloor de Sint Anthoniespoort haar functie. De poort werd omgebouwd tot een nieuwe Waag, ter vervanging van de "Plaetse" op de dam. Boven de deuren kwamen luifels, daaronder grote weegschalen. De waag lag meestal daar waar in de middeleeuwen en ook in later tijden de goederen de stad binnenkwamen of verlieten, bij de haven, of daar waar de goederen verhandeld werden, bij de markt. De Waag betekende voor de stad een belangrijke bron van inkomsten. De vroedschap van een stad had er dan ook alle belang bij om zoveel mogelijk goederen aan de waag te laten wegen. Het wegen werd in principe voor alle goederen verplicht gesteld voordat zij verkocht mochten worden. De Waag in Amsterdam was bedoeld voor het wegen van zware handelsartikelen, zoals balen tabak, scheepsankers en kanonnen. 

Doordat de Sint Anthoniespoort bij de stadsuitleg van 1612 binnen de stad kwam te liggen, verloor hij zijn taak als verdedigingsbolwerk. In de jaren 1617/1618 vond een verbouwing plaats waarbij de binnenplaats overdekt werd en er een toren bijgebouwd werd. Zo kon de stadspoort beginnen aan een tweede leven als Waag. De grachten rondom de poort werden gedempt. Zo ontstond er een plein: de Nieuwmarkt. De Amsterdamse kooplieden waren verheugd over deze maatregelen. De oude waag op de Dam was door de toenemende handelsactiviteit te klein geworden. Op het plein vond een keer per week de Sint Anthoniesmarkt plaats. Het werd al gauw een dagmarkt, omdat de zeelieden elke dag nieuwe handel aanvoerden via de vlakbij gelegen haven. De combinatie van waaggebouw en marktplaats was de reden dat de Nieuwmarkt, in 1755 erkend als algemene markt, zich ontwikkelde tot een bijzonder bedrijvig stukje Amsterdam. Wanneer de leden van de gilden (de smeden, de metselaars, de schilders, de chirurgijns) 's ochtends bij De Waag arriveerden om in de Gildenzaal te vergaderen, hadden de kooplieden hun handelswaar reeds uitgestald. De Nieuwmarkt werd, net als de oude markt op de Dam, onderverdeeld in een aantal vakken, waarin de kooplieden hun verschillende goederen konden verhandelen. De boeren van buiten Amsterdam boden hun boter, kaas en eieren aan. De "Lapduyvels", de handelaren in stoffen, prezen hun waar om het hardst aan. Een stukje verder, op de gracht tussen Koestraat en Barndesteeg, verhandelden de tuinlieden van de geestgronden rond Rijnsburg, Noordwijk en Hillegom, hun geneeskrachtige kruiden. Uit deze kruidenhandel is de latere, nu nog bestaande kruidenzaak van Jacob Hooy ontstaan.

De Waag, de gilden en de wapens

Op de bovenverdieping van het waaggebouw kreeg de schutterij een wachtkamer en de verschillende gilden een kamer. Elk gilde had een eigen opgang. Boven de ingang werd het embleem van de verschillende gilden aangebracht, zoals het koekenbakkers-, schilders-, schoenlappers- en het befaamde chirurgijnsgilde. De metselaars en de chirurgijns zijn van grote betekenis geweest voor het gebouw en haar geschiedenis. De metselaar hebben een groot deel van de verfraaiingen aan de binnen- en buitenkant van het gebouw verzorgd, zoals het trappenhuis, de haardstee, de raamkozijnen en de versieringen van de torens. De chirurgijnen pleegden de grootste ingreep in het gebouw. Het Theatrum Anatomicum, waar de anatomielessen gegeven werden, had een overzichtelijke collegezaal nodig. De chirurgijns plaatsten in het midden van het gebouw een achthoekige koepeltoren waardoor de collegezaal een amfitheater werd. In 1891 werd de verbouwing voltooid. Hoog in de koepel van deze zaal lieten de heelmeesters tussen 1731 en 1789 hun 87 familiewapens aanbrengen. Soms laten de attributen in de schilden zien dat de chirurgijns van oorsprong barbiers waren, die een markt zagen in het trekken van tanden en kiezen. In het wapen van Klaas Kiesz is bijvoorbeeld een man met een scheermes afgebeeld. Tussen 1993 en 1994 werd de koepelzaal gerestaureerd in opdracht van het Amsterdamse Grondbedrijf en met de steun van enkele particuliere bedrijven. Ook de wapens werden in oude glorie hersteld. Het zijn prachtige schilderstukken, die je, wanneer je precies onder het hoogste punt van de koepel gaat staan, de indruk geven midden in een caleidoscoop te staan.

Joden beschikten als gevolg van de beroepsbeperkingen die voor hen golden voor de Burgerlijke Gelijkstelling in 1796, over minder mogelijkheden om in hun levensonderhoud te voorzien dan niet-Joodse Amsterdammers. Zodoende was rond 1800 de armoede onder de Joodse beroepsbevolking van Amsterdam enorm. Elke mogelijkheid om aan geld te komen greep men aan. Er werd op grote schaal gebedeld, terwijl ook velen hun toevlucht zochten in het straatvermaak. Beroemd waren de straatventers/potsenmakers. Daarnaast exploiteerde de Joodse bevolking van Amsterdam kermissen, circussen, paardespelen en acrobatiekgezelschappen. Het circus of paardenspel kwam op aan het eind van de achttiende eeuw en combineerde in een voorstelling paardendressuur en acrobatiek. Het publiek zat in een cirkel om de piste. De kermis, het jaarlijkse topevenement voor het gewone volk, bood diverse soorten bezienswaardigheden en vermaak: nieuwe uitvindingen, vreemde mensen en dieren en allerlei kunsten, zoals toneel, paardrijden, koorddansen en acrobatiek. De grote circussen op de Amsterdamse kermis waren in de negentiende eeuw buitenlandse ondernemingen, de meeste kleine circussen en acrobatengezelschappen werden geexploiteerd door enkele, nauw aan elkaar verwante, Nederlands-Joodse families, zoals de familie Blanes. Mosis Blanes, een opvallende verschijning in een astrakan pelsjas met daaronder een rose tricot en een zwart fluwelen broek en een hoge hoed, was vanaf 1830 directeur van een klein rondreizend circus. Hij stond ook af en toe met zijn paardenspel op de Nieuwmarkt voor De Waag. Blanes trok de aandacht met de gevleugelde woorden 'van binne mot je kijke', waarmee hij benadrukte dat gevaarlijk is om alleen op uiterlijkheden af te gaan.

Handel in stoffelijke en niet-stoffelijke goederen

Aan het einde van de negentiende eeuw had de Nieuwmarkt zich ontwikkeld tot een dermate uitgebreid handelscentrum, dat de kooplieden letterlijk en figuurlijk vochten om een plaatsje. Het kwam zelfs zo ver dat het gemeentebestuur de markt moest sluiten om orde op zaken te stellen. Alle oude kramen en bouwsels moesten verdwijnen en er kwam een nieuwe officiële indeling van de markt. In die dagen stonden er wel 240 kramen op de markt. Daarvan moesten er in 1892 wel veertig verdwijnen omdat er een tram over de Nieuwmarkt ging rijden. Plannen van het gemeentebestuur om de hele markt te verplaatsen naar het Waterlooplein mislukten. De kooplieden vertrokken weliswaar onder protest naar hun nieuwe plaatsen onder de overkapping die het gemeentebestuur voor hen had opgetrokken op het Waterlooplein, maar de klanten bleven weg. Een actiegroep van kooplieden die terugwilden naar de Nieuwmarkt, had succes. In januari 1893 kwam de gemeenteraad terug op haar besluit. Op 30 januari wapperden de marktvlaggen weer op de Nieuwmarkt. De Nieuwmarkt was in de loop der jaren uitgegroeid tot meer dan alleen een plek waar stoffelijke goederen werden verhandeld. Vooral op zaterdagavond verzamelden zich groepjes mensen rond het Waaggebouw, die discussieerden over politiek of maatschappelijke misstanden.

Socialisten, katholieken, joden communisten en anarchisten bestookten elkaar met hun opvattingen. Al snel kreeg de Nieuwmarkt de reputatie dat er op het plein vaak iets te beleven viel. De markt bij de Waag bleef bestaan tot de Duitse bezetter ervoor zorgde dat hij ten onder ging. Hoewel de Nieuwmarkt niet het middelpunt was van de Amsterdamse jodenbuurt, was zij wel een belangrijke hoeksteen. Bovendien had de markt in de loop der jaren een onmiskenbaar joods karakter gekregen. Kort na het begin van de Tweede wereldoorlog in 1940 begon het publiek weg te blijven uit angst voor de razzia's. Daarna kwam de omheining van prikkeldraad die de Waag en de Nieuwmarkt afsloten van de omgeving. Joodse en niet-joodse kooplieden en kopers verdwenen. Het merendeel van de Nederlandse joden overleefde de oorlog niet. Na 1945 is de markt nooit meer tot volle bloei gekomen.

Waagbewoners in de negentiende en twintigste eeuw

Nadat in 1819 de Waag uiteindelijk ook haar functie als waaggebouw kwijtraakte, werd het pand door verschillende instellingen gebruikt. Zo deed de Waag dienst als stadsschermzaal, als kantoor van de choleracommissie en als werkplaats voor de stadsolieverlichting. Een zekere Van Herpen fabriceerde er meubelen. Bovendien werden er van 1807 tot en met 1879 aan de marktzijde executies uitgevoerd. Vervolgens hebben het anatomisch museum, de brandweer en het gemeentearchief er een plek gehad. Gedurende de Eerste Wereldoorlog, waarin Nederland haar neutraliteit wist te handhaven, vonden het Steuncomite en het Centraal Bureau voor Sociale Adviezen er onderdak. Vanaf 1926 werd het gebouw betrokken door het Amsterdams Historisch Museum dankzij een legaat van twintigduizend gulden van de dames Van Eeghen. Na het vertrek van het museum bood de Waag onderdak aan het Joods Historisch Museum. Sinds januari 1996, na jaren van leegstand, heeft De Waag een nieuwe bewoner. De Stichting Waag Society richt zich onder meer op de maatschappelijke implicaties van de ontwikkelingen in de informatietechnologie en de telecommunicatie. Op de benedenverdieping is Café-restaurant 'In de Waag' gevestigd.