Spelbreker #7: Misplaatste vanzelfsprekendheid in de architectuur

Wat als we niet langer de groei van de economie als einddoel nemen, maar bijvoorbeeld solidariteit, circulariteit of de verzekering dat we in 2090 nog zuurstof kunnen happen? Met andere woorden: wat als we de regels van het spel veranderen?

In de blogserie Spelbrekers gaan we in gesprek met kunstenaars, muzikanten en wereldverbeteraars die het anders doen. We vragen hen: ‘welke nieuwe spelregels zijn er nodig voor een open, eerlijke en inclusieve toekomst?’ Vandaag spreken we Afaina de Jong, architect en hoofd van de masterafdeling Contextual Design op de Design Academy in Eindhoven. Met haar werk wil De Jong verandering op sociaal en ruimtelijk gebied aanmoedigen en ruimte bieden aan verschil.

Hoe zou je jezelf voorstellen?

Ik ben Afaina de Jong, ik ben architect. In 2005 ben ik mijn studio AFARAI begonnen. Ik werk op het grensvlak tussen architectuur, onderzoek en kunst. Als architect bouw ik wel dingen, maar geen grote wijken of woningen. Ik ben meer geïnteresseerd in de publieke ruimte, de ruimte die we met elkaar delen – of dat nu pleinen, musea of publieke paviljoens zijn. Ik beschouw mijn studio als een feministische praktijk. Met mijn werk probeer ik verandering op sociaal en ruimtelijk gebied aan te moedigen en ruimte te bieden aan verschil. Ik ontwerp tentoonstellingen, en publieke ruimtes en objecten zoals een paviljoen of ruimtelijke installatie. Ik ben ook hoofd van de master Contextual Design op de Design Academy in Eindhoven.

Wat zijn volgens jou de regels van het huidige systeem?

Geld is een belangrijke drijfveer in de bouw. Hierdoor wordt er vaak gekozen voor de goedkoopste aannemer en de voordeligste materialen. Op deze manier is er altijd op een manier extractie of uitbuiting aan de basis van het proces, of dat nu van de natuur is of van de mens.

De regels van het systeem waarin architectuur functioneert zijn verouderd. Dat zie je niet alleen aan de manier waarop we bouwen, maar ook aan voor wie we bouwen. Heel vaak ontwerpen we voor gestandaardiseerde ‘mensen’. Hoe ziet ‘de mens’ er eigenlijk uit? Vanuit de verlichting werd er ontworpen aan de hand van de ‘Vitruvius man’ van Leonardo da Vinci. Le Corbusier, een van de grondleggers van de modernistische architectuur, kwam met de ‘Modular man’. Beide modellen zouden een soort ‘universele mens’ moeten voorstellen. In feite is het gewoon een man van 1.80 meter met specifieke lichaamsverhoudingen. Hij valt waarschijnlijk op vrouwen en is zogezegd ‘rationeel’ in zijn denken. Er wordt ontworpen voor en heel specifiek type. Het grootste deel van de wereldbevolking valt hierbuiten.

'De esthetiek van het neoliberalisme ziet eruit als verlichtingsidealen op steroïden.'

Architectuur geeft vorm aan de bepaalde waarden van het moment. Het kan dus veel zeggen over het systeem waarin we leven. Neoliberale architectuur en de waarden die daaronder liggen kun je goed op de Zuidas zien. De gebouwen zijn hoog, strak en vaak van glas, want dat straalt een zekere ‘transparantie’ uit. Het ironische is dat het totaal geen transparante organisaties zijn die in deze glazen torens werken. Een gebouw moet bepaalde waarden uitstralen, maar er wordt bijvoorbeeld niet nagedacht over hoe moeilijk dat glas eigenlijk te verwarmen is. De esthetiek van het neoliberalisme ziet eruit als verlichtingsidealen op steroïden.

Wat werkt er nu niet aan deze regels? En waarom? 

We moeten in de architectuur, wat mij betreft, veel meer het systeem bevragen. Er wordt gedacht dat wanneer je vanuit de algemeenheid ontwerpt, jouw ontwerp voor iedereen leuk is. Er is nog een veel te grote vanzelfsprekendheid in het ontwerp, die voor het grootste deel van de populatie helemaal geen comfort biedt.

Stel dat je de regels van het systeem mocht veranderen, wat zou je dan veranderen?

Ergens is het goed dat er nu veel schaarste aan bouwmateriaal is. We worden geforceerd om te heroverwegen hoe je met materiaal omgaat. Het zou eigenlijk een regel moeten zijn dat bedrijven circulair moeten opereren. Er zou ook meer waarde gegeven moeten worden aan de samenstelling van de teams die aan ruimtelijke opgaven werken. Waarom geven we geen voorrang aan bureaus en projectontwikkelaars die een grote diversiteit aan mensen in dienst hebben?

Als je allemaal dezelfde achtergrond hebt, kom je heel makkelijk tot consensus omdat je min of meer hetzelfde denkt. Als je met een diverse groep werkt, gaat het veel meer tijd kosten om tot consensus te komen. Je krijgt opeens verschillende soorten input waar je rekening mee moet houden. Dan kom je erachter dat je tentoonstelling niet rolstoel-toegankelijk is omdat de schilderijen veel te hoog hangen. Of dat je paviljoen niet veilig is voor vrouwen omdat er donkere hoekjes in zitten. We moeten veel meer tijd gaan nemen voor dit soort gesprekken.

Hoe zet jouw werk zich in voor een alternatief op het huidige systeem?

Ik heb een paviljoen ontworpen voor het museum Grafikenshus in Zweden. Met dit paviljoen probeerde ik de status quo van ontwerp te bevragen. In plaats van voor de ‘universele mens’ te ontwerpen maakte ik mijn doelgroep heel specifiek. Ik besloot alleen maar workshops te doen met vrouwen, van alle leeftijden en achtergronden. Ik vroeg hen waar een paviljoen of een publieke ruimte voor hen aan zou moeten voldoen. Het was best een ‘eye opener’ dat een van de eerste dingen waar vrouwen behoefte aan hebben veiligheid is. Voor vrouwen moet een openbare plek overzichtelijk zijn, zonder donkere hoekjes. Mijn startpunt was een heel specifieke groep, maar dat betekent niet dat het voor de rest van de mensen niet toegankelijk of interessant is.

'Toch blijf je vastzitten aan het systeem van winst. Vind maar eens een bouwer en een museum die jouw circulaire plannen ondersteunen.'

Verder probeer ik zo circulair mogelijk te werken. De eerste keer dat ik een tentoonstelling ontwierp had ik er helemaal niet over nagedacht dat het ontwerp na een paar maanden gewoon in de container gaat. Nu probeer ik mijn tentoonstellingen te ontwerpen zodat ze in en uit elkaar gehaald en hergebruikt kunnen worden. Toch blijf je vastzitten aan het systeem van winst. Vind maar eens een bouwer en een museum die jouw circulaire plannen ondersteunen. Gelukkig zijn er steeds meer bouwers die ook hun bedrijfsvoering inrichten op circulariteit. En zo leren we weer van elkaar.

'Ik wil mijn studenten leren hoe je met je ontwerp de status quo kritisch kunt bevragen.'

Ik ben heel blij met mijn rol als hoofd van de master-afdeling Contextual Design op de Dutch Design Academy in Eindhoven. Nu kan ik de onderwijsrichting vormgeven. Ik vind het belangrijk om bepaalde waarden aan mijn studenten over te brengen, bijvoorbeeld dat het niet alleen gaat om rationaliteit en functionaliteit. Ik wil mijn studenten leren hoe je met je ontwerp de status quo kritisch kunt bevragen.

Ik ben geïnteresseerd in hoe een andere architectuur er uit kan zien. Dat betekent niet dat mijn stijl dan gelijk het antwoord is. Het is mijn interpretatie van een andere manier van ontwerpen met een set referenties die het modernisme overstijgt. Ik hoop dat daar nog veel meer interpretaties van gaan komen. Die verbeelding is de kracht van vormgeving.