Towards a democratic economy

In maart organiseerden we voor het project Amsterdammers, maak je stad! een leerbijeenkomst in Pakhuis de Zwijger. Op deze avond keken we naar de Amsterdamse pilots met buurtbudgetten als onderdeel van het democratiseren van de economie. Maar wat is een democratische economie eigenlijk precies? 


Een democratische economie, wat is dat?

Christian Felber (Economy for the Common Good) beschrijft een democratische economie als een economie die gericht is op ‘the common good’: de gemeenschappelijke waarden die we als mensen belangrijk vinden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan ecologische stabiliteit en sociale gelijkwaardigheid. In het kapitalisme verwarren we volgens Felber de accumulatie van geld met het vergroten van ons gemeenschappelijk welzijn: geld is geen doel an sich, maar een middel om dat welzijn te bereiken. Het tegenovergestelde van het huidige kapitalisme is volgens Felber een economie die menselijke waarden centraal stelt. Op het moment dat we gezamenlijk afspreken dat onze economie ertoe dient om ons gezonder en gelukkiger te maken en in betere balans met de planeet te brengen, dan kunnen we gezamenlijk bepalen wat we dan een succes noemen en hoe dat succes gemeten kan worden. Zo kunnen vervolgens beleid en strategie erop ingericht om die successen en dus waarden te behalen, in plaats van om financiële groei na te streven.

Michel Bauwens pleit in navolging van de waarden die Felber noemt voor open technologische systemen voor samenwerking met zijn Peer2Peer Foundation. ‘Commoning’ is het zelf reguleren en -organiseren van mensen in systemen, waardoor er niet één eigenaar is maar de hele gemeenschap bepaalt welke keuzes er gemaakt worden. Deze strategie is gebaseerd op gedeelde waarden: democratie, solidariteit, duurzaamheid en gemeenschappelijke oriëntatie. Volgens Bauwens kun je van alles commons maken: een bos of een rivier, maar ook software, mobiliteit en wonen. Door als gemeenschap te bepalen wat belangrijke waarden zijn, kun je volgens Bauwens net als volgens Felber voorbijgaan aan geld, en je richten op activiteiten die sociale en/of ecologische waarde genereren.

Zowel Felber als Bauwens pleiten dus voor een fundamentele verandering van ons economische systeem, waarin we onze gemeenschappelijke geformuleerde waarden centraal kunnen stellen. Dat is volgens hen de basis van een democratische economie.

Observaties over de buurtbudgetten

Beide sprekers vinden de buurtbudgetten waarmee Amsterdam experimenteert een eerste stap richting een democratische economie. Ze benoemen dat het buurtbudget de mogelijkheid biedt om te oefenen met democratisch delibereren: samen overleggen en tot gemeenschappelijke keuzes komen. Maar van die mogelijkheid komt volgens Bauwens weinig terecht als het buurtbudget wordt ingericht als competitie. Juist competitie, beaamt ook Felber, werkt samenwerking tegen. Het kan in sommige gevallen angst en spanning oproepen, en het zorgt ervoor dat je niet goed kunt kijken naar wat er nodig is in een buurt of wijk. Een buurtbudget moet volgens Bauwens de hele buurt motiveren, niet alleen de initiatiefnemer of winnaar. Door je in plaats van in competitie rond het principe van samenwerking te organiseren oogst je volgens de sprekers motivatie van alle betrokkenen, duurzame relaties en vertrouwen in de samenleving.

Felber vraagt zich op deze avond af of er op een democratische manier is bepaald welke waarden er bereikt moeten worden met het buurtbudget, en of de buurtbudgetten daar ook daadwerkelijk aan bijdragen. Hij benadrukt dat het goed zou zijn om eerst gezamenlijk waarden en bijbehorende doelen op te stellen, zodat alle betrokkenen zich daarop kunnen richten bij de keuze en uitvoer van projecten in de buurt. Daarnaast vindt hij dat er manieren in kaart gebracht moeten worden om te bepalen in hoeverre de gestelde doelen bereikt zijn.

Bauwens en Heidi Leenaarts (United Economy) pleiten voor buurtbudget dat in de buurt blijft, bijvoorbeeld door het invoeren van aparte lokale valuta. Dit ‘circulaire’ geld wordt dan niet maar één keer uitgegeven door bewoners en stadsdeel om bijvoorbeeld een klimrek te laten plaatsen, waarna de plaatser het weer uitgeeft in de reguliere economie. Het idee is dat de plaatser lokaal is, en de lokale valuta weer uitgeeft bij een andere ondernemer, en die weer bij de volgende. Zo blijft het buurtbudget in de buurt zelf rondgaan, en levert het meer waarde op voor buurtbewoners.

Stappen in commoning

De sprekers bekijken het buurtbudget deze avond in de context van de democratische economie. Maar, zeggen ze allemaal, de weg naar een democratische economie is lang en vraagt om veel meer aanpassingen en experimenten. Wethouder Rutger Groot Wassink beschouwt de buurtbudgetten liever als instrument om een democratische houding mee te ontwikkelen. Vanuit het perspectief van de gemeente, zegt hij, proberen we Amsterdammers met een deel van het budget te vertrouwen: zij bepalen waar het aan besteed wordt, en dat zou een democratische ervaring moeten zijn. Het is een soort oefening met de grondbeginselen van commoning: hoe kunnen we samen beslissingen maken? Hoe kunnen we naast de bestaande realiteit nieuwe experimenten in (economische) samenwerking ontwikkelen?

Toch kun je het buurtbudget niet alleen bekijken als oefening voor bewoners: de budgetten beïnvloeden wel degelijk de dagelijkse realiteit van initiatiefnemers en buren. Charlot Schans (STIPO/Stadsmakersfonds) benadrukt dat er structurele budgetten nodig zijn om initiatieven die waarde toevoegen aan een buurt te ondersteunen. Op dit moment kunnen ze, na een buurt te laten floreren, namelijk vaak zelf niet blijven door een gebrek aan geld. Waar het buurtbudget een impuls aan de voorkant biedt, is het cruciaal dat er ook budget is om initiatieven die (aangetoonde) publieke waarde hebben te laten voortbestaan, beaamt Groot Wassink. 

Als de buurtbudgetten vooral een oefening zijn met democratisch delibereren, zijn deze lokale experimenten ook een stap op weg naar meer: Bauwens benadrukt dat steden transnationaal kunnen acteren. Waar landen nationaal opereren, is geld nauwelijks aan grenzen gebonden. Door (met behulp van technologie) internationale systemen te bouwen voor commoning en die per stad aan te passen en te gebruiken, kun je volgens hem toch grote impact op het klimaat en sociale verhoudingen hebben. En ook zonder dat we die internationale systemen hebben, richten steden zich nu al meer op ‘kosmolokaal’ uitwisselen: wat gebeurt er in buurten in Amsterdam? En wat in Barcelona, Stockholm en Cleveland? En wat kunnen zij van elkaar leren? Samen besluiten nemen over geld is daarin een eerste stap. Er zijn samen vele volgende te zetten.